dinsdag 10 november 2015

Bushcraft in de herfst

Vier dagen wonen in een levend schilderij. Esdoorns, haagbeuken en beuken kleuren geel, oranje en rood. Herinneringen komen op aan road trips in Canada met m'n broer.

Vlierbessen ontstelen.

Ik bouw een open hut. De open kant komt op het zuiden, want de wind zit in de westelijke hoek. Ik hoop dat de rook van een vuur dan niet m'n onderkomen in waait. Ook profiteer ik zo van de zon en zie ik misschien 's nachts de maan. Ik kannibaliseer een vervallen hut. Bouwmateriaal en brandhout binnen handbereik. Een luxe.
Van een oude hut (links) maak ik een nieuwe (rechts).



Het bos ziet er aantrekkelijk uit. Je ziet nauwelijks meer dat de bomen ooit in rijtjes zijn geplant. Er groeien verschillende soorten bomen en struiken. Sommige hebben nog takken laag op de stam. Fraai uitgegroeide hazelaars. Een omgevallen vogelkers die gewoon weer verder groeit. En hele grote populieren. Niet de meest ideale boom om een hutje onder te bouwen. Er breken zomaar takken af als het waait. Ik bouw mijn hut uit hun kroonprojectie.

Ik zie ook kwijnende elzen. Ooit geplant als vulhout tijdens de aanleg denk ik. Bijgemengd om het nieuwe plantsoen snel de hoogte in te krijgen want els heeft een snelle jeugdgroei. En door onderlinge concurrentie gaan de andere bomen ook sneller groeien. De nieuwe beplanting kan dan beter de concurrentie aan met de kruiden die ook opkomen na de plantwerkzaamheden. En nu, na jaren, worden de elzen eruit geconcurreerd door de andere bomen.

Ik geef één van de elzen de genadeslag, want ik heb een stevige nokbalk nodig voor mijn hut. Ik kan geen dood hout vinden dat stevig genoeg is om het dak te kunnen dragen. Eigenlijk hoort dit niet: levende bomen omzagen. Maar het is een bewuste keuze, als je weet dat de els hier toch zal verdwijnen. En ik doe het netjes: de boom wordt vlak boven de grond afgezaagd. Het valt nauwelijks op. De bosbouwer heeft er weinig last van als hij hier weer eens met een machine aan de slag gaat.  

Ik bouw de hut tegen een veldesdoorn. De kroon van de boom is een soort paraplu. De bodem is droog.  
Hut, bed, brandhout.

Voor een bed gebruik ik twaalf rechte takken van een hazelaar, ongeveer twee vingers dik. Ik leg ze op twee polsdikke stammen en mijn bed is klaar. 

Het bouwen van de hut is keihard werken. Eerst de oude hut slopen, materialen sorteren, daarna nieuwbouw. Na drie uur staat er een nieuw onderkomen. Met een bed en een flinke stapel brandhout. 

Tijd voor een verkenningsrondje. Even het blikveld verruimen. Ik zie dat er nog genoeg eten te vinden is. Ik pluk appels, rozenbottels, brandnetels en raap hazelnoten. Uit een andere hut (van mij) neem ik een zelfgemaakt rieten slaapmatje mee.
Herfstoogst. Appels, rozenbottels en vlierbessen.

Terug bij m'n hut steek ik het vuur aan. Dit vuur is niet alleen voor de lol. Het is een stuk gereedschap. Ik kook er water mee uit plassen nadat ik het gefilterd heb in een canvas zak. ik kook er m'n eten mee. En het vuur is een lichtbron in de duisternis. Ik heb geen kunstlicht mee.

Als het donker wordt, leg ik stukken brandhout parallel aan elkaar op het vuur. De vlammen kruipen vanzelf naar de uiteinden toe en in korte tijd is er een lang vuur, of een long log fire. Ik besluit te gaan slapen zonder slaapzak. De stapel brandhout aan de andere kant van het vuur reflecteert stralingswarmte mijn kant op. De hut zelf reflecteer ook stralingswarmte. Het is lekker warm geworden! Maar elk half uur moet ik stoken. Rond middernacht heb ik er genoeg van en kruip m'n slaapzak in. Een volgende keer zal ik dikker hout gebruiken als ik het vinden kan.
Een lang vuur geeft veel warmte af.



Later in de nacht word ik wakker. Het is niet meer bewolkt en zie de maan. Ik dommel weer in.

Tweede dag. Ik word wakker bij het eerste licht. Ik blijf nog even liggen. Het is echt stil. Heerlijk stil. Een roodborstje begint te zingen. Wake up call. Ik sta op en eet een kliekje van gisteravond.

Tijd voor een ochtendwandeling. Het licht is mooi. De zon probeert door de wolken te breken en dat lukt deels. Ik loop naar het water en zie een opening in het riet. Hier kan ik straks een zetlijn uitgooien.

Langs de bosrand groeit smeerwortel. Een eetbare- en medicinale plant. Da's mooi, want ik heb kloven in m'n hand, opgelopen tijdens m'n werk vorige week. Ik wrijf de bladeren stuk tussen m'n handen zodat het sap vrijkomt. Er zit allantoïne in en dat versnelt herstel van huidweefsel. Volgens de boekjes. Proberen dus. De bladeren zijn te oud om te kunnen eten.

Op een schuin gewaaide wilg staan jonge, rechte uitlopers. Ik snij ze af om er later een mand van te vlechten. Als ik terug ben bij m'n hut, kook ik rijst met brandneteltoppen als lunch.
Brood bakken. 


's Middags, tijdens een lange wandeling, vind ik m'n eerste wintergroente van hier: veldkers. Later vind ik nog een handvol dauwbramen. Ze geven een sugar boost.

Ik ben eigenlijk best brak. Een lichte hoofdpijn door het oppervlakkig slapen in zo'n eerste nacht. Tegen het eind van de middag duik ik m'n slaapzak in. Ik sla het avondeten over. 's Nachts word ik wakker van de honger en eet wat gedroogd vlees. Het regent nu, maar de hut houdt me droog!

De volgende dag regent het nog steeds. Er komt een soort rust over me. Ik weet dat ik alles goed voor elkaar heb: het onderkomen houdt me droog, er is brandhout en eten. Ik hoef alleen maar drinkwater te regelen. Ik ga er eens lekker de tijd voor nemen. Ik bak een brood van bloem, rozemarijn en wijnsteenzuur (van huis meegenomen natuurlijk!). Met m'n zelfgemaakte kooltjestang haal ik kolen uit het vuur om een geïmproviseerde oven te maken van m'n koekenpan en een doggybowl.

Een mand vlechten.


Na het eten blijf ik bij de hut en ga een mand vlechten, want de regen houdt aan. Tegen het eind van de middag wordt het droog. Even de zetlijn checken. Niets.

Er is veel blad gevallen deze dag. Ze camoufleren m'n hut en maken het dak nog beter waterproof. Ik kook wat rijst en ga dan slapen.

Na een dag bladval valt de hut bijna niet meer op. 

Laatste dag. Het is een mooie ochtend. In monochroom komen de contouren van het bos tevoorschijn. Geleidelijk komen de kleuren. Ik ga er niet op uit, wat ik normaal gesproken graag doe, maar beleef de ochtend vanuit m'n stek. Ik zou teveel een stoorzender zijn. Ik zie de laatste sterren en de opkomende zon. Ik blijf ongeveer een uur bij m'n hut, alles om me heen opnemend.

Ik eet een restje van gisteravond en ga aan de wandel. De nevel is bewolking geworden waar de zon doorheen prikt. De kleuren zijn mooi, vooral ook na die grijze dag van gisteren. Ik ga eens een andere kant op en ontdek appelbomen en notenbomen met reusachtige walnoten! De appels zijn rauw niet te vreten maar ik neem ze mee. De walnoten zijn lekker. Ik wandel langzaam en neem alles in me op. Vanmiddag wil ik een feestmaal maken met zelfgebakken brood, geroosterde hazelnoten, appelmoes en een sapje van rozenbottels, vlier en sleedoorn. Daarna weer naar huis.

Water filteren met een canvas zak; daarna nog even koken om het drinkbaar te maken.



Herfstoogst: walnoten en nog meer appels.
Hazelnoten poffen in heet zand.
Een voorraad aanmaakhout op een droge plek.
Vruchtensap maken. 
Vuur maken. Een gestructureerde aanpak voorkomt teleurstelling.